De waardeketenanalyse in de praktijk: van rangorde tot goedgekeurde ketenanalyse

Laatst bijgewerkt: 11 augustus 2026 · Palau

Een waardeketenanalyse brengt de CO₂-uitstoot van één keten in kaart en laat zien waar u die kunt verlagen. Handboek 3.1 verplicht er twee vanaf niveau 4. Handboek 4.0 verplicht er één of meer vanaf trede 2, over scope 1, 2, 3 en OBE (overige beïnvloedbare emissies).

Eén datum bepaalt welk van de twee handboeken voor u geldt. Volgens SKAO's overgangsregeling is 14 januari 2027 de laatste datum waarop een audit tegen handboek 3.1 mogelijk is. Alles wat hieronder over niveau 4 en niveau 5 staat, geldt dus tot die datum. Alles over trede 2 en trede 3 geldt nu al en daarna.

Wat is een waardeketenanalyse en vanaf wanneer is die verplicht?

SKAO omschrijft het doel zelf kort en zakelijk: om reductiemogelijkheden in die keten te identificeren, voeren organisaties vanaf niveau 4 (versie 3.1) en vanaf trede 2 (versie 4.0) een waardeketenanalyse uit.

Twee dingen volgen daaruit die in de praktijk vaak door elkaar lopen.

Ten eerste: scope 3 komt pas op niveau 4 binnen (handboek 3.1) en pas op trede 2 (handboek 4.0). Op niveau 3 en op trede 1 hoeft u geen waardeketenanalyse te maken. Wilt u weten welke trede overeenkomt met uw huidige niveau, dan staat die vertaling in het overzicht van de drie treden en de vijf oude niveaus. Een algemene introductie op het schema staat op onze pagina over de CO₂-Prestatieladder.

Ten tweede: de term is veranderd. SKAO's wijzigingenlijst 4.0 versus 3.1 schrijft het zo: "De term ketenanalyses is vervangen door waardeketenanalyses (vertaling van value chain analyses uit het GHG Protocol)." De inhoud is mee verbreed, en dat behandelen we verderop.

SKAO houdt daarnaast een openbaar register van waardeketenanalyses bij van certificaathouders. Op het moment van schrijven staan daar ruim 1.200 documenten in, gesorteerd naar categorie: onderaannemers en leveranciers (207), logistiek en transport (177), bouw (96), vermeden emissies bij derden (84), bedrijfsprocessen (78), adviesdiensten (76), groenonderhoud (69), ICT-diensten (24) en meer. De categorie materiaalgebruik onder scope 3 is met 440 documenten de grootste. Het is ook precies de reden dat u, als u zoekt op "ketenanalyse niveau 4", vooral PDF's van andere bedrijven vindt.

Hoe stel ik een rangorde van meest materiële scope 3-emissies op?

De rangorde is de basis. Zonder die rangorde kunt u niet onderbouwen waarom u juist deze keten hebt geanalyseerd, en dat is het eerste wat een auditor vraagt.

Het cruciale verschil met scope 1 en 2 staat in SKAO's eigen Praktische Gids deel 2: voor scope 3 "kijken we daarom niet alleen naar de absolute omvang van de emissies, maar ook expliciet naar de mate van invloed". Een enorme emissiepost waar u niets aan kunt veranderen hoort niet bovenaan. Een middelgrote post waar uw inkoopbeleid direct op ingrijpt wel.

De gids beschrijft zes stappen:

  1. Maak een lijst van activiteiten, kernprocessen, producten en diensten. In 3.1 heten die product-marktcombinaties.
  2. Bepaal per activiteit welke scope 3-emissies belangrijk zijn, upstream en downstream.
  3. Bepaal per scope 3-emissie of die groot of klein is.
  4. Bepaal welk effect maatregelen zouden kunnen hebben.
  5. Bepaal uw marktaandeel of omzet per activiteit.
  6. Rangschik de emissies.

Stap 1 is in de praktijk de lastigste, en niet om inhoudelijke redenen. De activiteitenindeling die u erft is meestal ooit bedacht door iemand die het bedrijf inmiddels heeft verlaten, en er is geen eigenaar meer. Eén praktische regel helpt: "overhead" is geen activiteit. Als een categorie geen eigen keten heeft, hoort die niet in de lijst.

Let ook op NACE-codes. Die sluiten zelden aan op hoe het bedrijf echt werkt. Een groep die mobiliteit, water en energie doet, past niet netjes onder één code. Baseert u de activiteitenindeling op codes in plaats van op ketens, dan krijgt u een rangorde die niemand herkent.

Hoeveel ketenanalyses moet ik maken op niveau 4?

Twee. En de keuze is niet vrij.

De selectieregel staat letterlijk in de Praktische Gids deel 2: "U kiest hiervoor één emissiebron uit de top 2 en één andere emissiebron uit de top 6 van uw rangorde."

Voor kleine organisaties geldt een uitzondering. Dezelfde gids: "Voor kleine organisaties volstaat het om hier 1 ketenanalyse uit te werken van een top 2 emissie." Handboek 3.1 zegt hetzelfde in de normatieve tekst: "Kleine organisaties dienen bij eis 4.A.1 in plaats van twee, slechts één ketenanalyse te maken." Die uitzondering geldt alleen voor kleine organisaties. Middelgrote organisaties maken er twee.

Daarnaast is er eis 4.A.3, de professionele becommentariëring. U hebt twee opties: een kennisinstituut helpt bij het opstellen van één of beide analyses, of een kennisinstituut becommentarieert minimaal één afgeronde analyse. SKAO's Engelstalige handleiding is expliciet: "The involvement of a knowledge institute is compulsory for small organisations. For medium-sized and large organisations, scoring sufficient points to obtain a certificate is possible without enlisting support or requesting comments, provided that the chain analyses are of a good quality."

Wat eisen 4.A.1 tot en met 5.D.1 precies van u?

Twee eisen zijn woordelijk verifieerbaar. SKAO publiceert ze zo in het Engelstalige handboek 3.1:

4.A.1: "The organization has demonstrable insight into the most material emissions from scope 3, and can submit at least 2 analyses of GHG-generating (chains of) activities from these scope 3 emissions."

4.B.1: "The organization has formulated CO₂ reduction targets for scope 3, based on 2 analyses from 4.A.1… An accompanying action plan has been drawn up, including the measures to be taken. Objectives are expressed in absolute numbers or percentages in relation to a reference year and within a specified time frame."

Het beletselteken in 4.B.1 staat er bewust: dat deel van de zin hebben wij niet woordelijk kunnen verifiëren en laten we daarom weg in plaats van het in te vullen.

Vrij weergegeven in het Nederlands: 4.A.1 vraagt aantoonbaar inzicht in uw meest materiële scope 3-emissies plus minimaal twee analyses. 4.B.1 vraagt doelstellingen die op díe twee analyses zijn gebaseerd, met een actieplan en met een absoluut getal of percentage ten opzichte van een basisjaar en binnen een vastgelegde termijn. Een doel zonder basisjaar en zonder termijn voldoet niet.

De onderstaande tabel vat de scope 3-eisen samen zoals SKAO ze in de Praktische Gids en het handboek beschrijft. De formuleringen bij niveau 5 zijn parafrases van SKAO's toelichting en geen normatieve tekst.

EisNiveauWat er gevraagd wordtGeldt voor
4.A.14Aantoonbaar inzicht in de meest materiële scope 3-emissies plus minimaal 2 ketenanalyses (1 uit de top 2, 1 uit de top 6)Alle groottes. Klein: 1 analyse uit de top 2
4.A.34Professionele becommentariëring door een kennisinstituut, of ondersteuning bij het opstellenAlle groottes. Betrokkenheid kennisinstituut alleen verplicht voor klein
4.B.14Reductiedoelstellingen voor scope 3 op basis van die 2 analyses, met actieplan, basisjaar en termijnAlle groottes
4.C en 4.D4Communicatie over scope 3 en deelname aan keteninitiatievenNiet voor klein en middelgroot
5.A.15Scope 3-emissies grof kwantificeren en ketenpartners benoemenAlle groottes
5.A.2-15Onderzoek naar zelfstandige reductiemaatregelen die u zonder medewerking van leveranciers of klanten kunt nemenAlle groottes
5.A.2-25Reductiestrategieën benoemen door losse maatregelen tot samenhangende pakketten te bundelenNiet voor klein
5.A.35Emissiegegevens verzamelen bij directe ketenpartners, één schakel weg in de ketenNiet voor klein
5.B.15Eén strategie kiezen en onderbouwen, met langetermijnactieplan en jaarlijkse tussendoelenAlle groottes
5.B.2 en 5.B.35Periodieke rapportage over de voortgang op de scope 1, 2 en 3-doelenAlle groottes
5.C.1 en 5.C.25Twee commitments aan reductieprogramma's van overheid of NGO kiezen, publiek maken en in een actieplan verwerkenNiet voor klein
5.D.1 en 5.D.25Samen met een overheid of NGO een reductieprogramma opzetten en uitvoerenAlleen groot

Eis 5.A.3 vraagt in de praktijk de meeste doorlooptijd. SKAO's Engelstalige handleiding omschrijft die als het opvragen van specifieke emissiedata bij de directe partners in de keten: levenscyclusanalyses, gebruiksfase-informatie of organisatiefootprints bij partijen die één schakel van u af staan. Het zware werk zit in de uitvraag. U stelt honderd keer dezelfde vraag aan mensen die geen belang hebben bij uw certificaat.

Welke vrijstellingen gelden voor kleine en middelgrote organisaties?

Handboek 3.1 formuleert het zo: "Voor kleine organisaties gelden de eisen 5.A.2-2, 5.A.3, 4.C, 5.C, 4.D en 5.D niet."

De Praktische Gids vult aan dat kleine en middelgrote organisaties op niveau 4 alleen aan de eisen voor invalshoek A en B hoeven te voldoen, en dat middelgrote organisaties op niveau 5 moeten voldoen aan de eisen van heel invalshoek A, B en C.

GrootteNiveau 4Niveau 5
KleinAlleen invalshoek A en B. Bij 4.A.1 één ketenanalyse in plaats van twee. Betrokkenheid kennisinstituut verplichtDeel van invalshoek A plus invalshoek B. Eisen 5.A.2-2, 5.A.3, 5.C en 5.D vervallen
MiddelgrootAlleen invalshoek A en B. Wel twee ketenanalyses: 1 uit de top 2 en 1 uit de top 6. Kennisinstituut niet verplichtInvalshoek A, B en C. 5.D vervalt
GrootAlle invalshoeken: A, B, C en DAlle invalshoeken, inclusief 5.D: een reductieprogramma met een overheid of NGO

Wat middelgrote organisaties met kleine delen, is de vrijstelling voor invalshoek C en D op niveau 4. De uitzondering op het aantal ketenanalyses en de verplichte betrokkenheid van een kennisinstituut gelden alleen voor kleine organisaties.

Kijk deze tabel na voordat u begint. Checklists tonen vaak alle eisen, ook de eisen die op uw niveau of trede en op uw bedrijfsgrootte niet van toepassing zijn.

Wat is het verschil tussen niveau 4 en niveau 5?

In één zin: niveau 4 is kwalitatief, niveau 5 is kwantitatief. De Praktische Gids beschrijft niveau 5 als het verder vergroten van uw inzicht in belangrijke scope 3-emissies door die grof te kwantificeren.

Niveau 4Niveau 5
KarakterKwalitatief. Identificeren en rangschikkenKwantitatief. Cijfers op scope 3
Aantal analyses2 (klein: 1)Voortbouwend op dezelfde analyses, plus kwantificering van alle materiële emissies
KetenpartnersWorden beschrevenWorden bij naam benoemd, en u haalt data bij ze op (5.A.3)
MaatregelenKetenafhankelijk, samen met partnersOok zelfstandig, zonder medewerking van partners (5.A.2-1)
DoelenPer analyse, met basisjaar en termijnEén onderbouwde strategie met langetermijnactieplan en jaarlijkse tussendoelen
SamenwerkingKeteninitiatievenCommitments aan programma's van overheid of NGO, en voor grote organisaties een eigen programma

De sprong van 4 naar 5 zit in de datastroom. Wat u op niveau 4 nog kunt beschrijven vanuit eigen kennis van de keten, moet op niveau 5 aansluiten op cijfers die uw leveranciers u aanleveren.

Hoe stel ik een ketenanalyse op, stap voor stap?

De Praktische Gids beschrijft de uitvoering in doorlopende tekst. Hier is die samengevat in zeven stappen. De nummering is van ons, de inhoud van SKAO.

  1. Bepaal welk deel van de keten u analyseert.
  2. Breng die keten globaal in kaart.
  3. Bepaal welke emissies materieel zijn.
  4. Beschrijf de ketenstappen, de activiteiten en de verantwoordelijke partijen.
  5. Verzamel data bij specialisten en ketenpartners.
  6. Bereken de emissies.
  7. Identificeer reductiemaatregelen en mogelijkheden tot samenwerking.

Stap 3 is waar de meeste analyses te breed worden. SKAO stuurt hier op proportionaliteit: "Het is van belang te focussen op de materiële emissies en niet te lang stil te staan bij de niet materiële emissies." Een analyse die drie ketenstappen echt uitrekent is bruikbaarder dan een analyse die alles aanstipt.

Stap 5 is waar de doorlooptijd ontstaat. Hoe lang die duurt hangt af van hoe snel uw ketenpartners reageren. Plan die stap ruim vooruit en houd rekening met de Benelux-vakantieperiodes: de één is drie weken weg, daarna is de ander op vakantie, en u spreekt elkaar pas eind augustus echt. Ondertussen liggen de meeste deadlines in december, maart en het eerste kwartaal.

Over de vorm bestaat geen SKAO-sjabloon. Een sustainability lead verwoordde dat zo: "We maken nu ons eigen format. Maar ik weet niet zeker of dat aansluit bij wat de auditor verwacht." Het register van ruim 1.200 gepubliceerde analyses is daarom nuttiger als vormgevingsvoorbeeld dan als inhoudelijke bron. Zoek een analyse van een organisatie met een vergelijkbare keten en kijk vooral naar hoe de onderbouwing is opgebouwd.

Hoe kom ik aan data van ketenpartners?

Dit is eis 5.A.3, en het is een mensenprobleem voordat het een dataprobleem is.

De meest bruikbare observatie uit de praktijk: leveranciers die niet reageren zijn meestal wel geïnteresseerd. Zoals een praktijkverantwoordelijke het zei: "Ze lijken niet betrokken, maar in werkelijkheid schamen ze zich omdat ze de antwoorden niet hebben." Duurzaamheid maakt dat makkelijk, zeker met afkortingen in elke zin. Wie de vraag niet begrijpt, laat hem meestal gewoon liggen.

Wat daar tegen werkt:

  • Vraag om brongegevens: liters, kilometers, kilo's, kWh. Een leverancier kent zijn dieselverbruik. De vertaling naar een scope is uw werk.
  • Houd de uitleg kort. Twee gerichte minuten over precies de vraag die u stelt. Bij een tutorial van een uur bent u het eerste kwartier alweer vergeten voordat de zestiende minuut begint.
  • Neem één leverancier en één cijfer, en werk dat helemaal af tot en met de onderbouwing voordat u vijftig partijen aanschrijft. Dat levert vertrouwen op in de methode.
  • Koppel de herkomst aan het datapunt zelf. Een losse kolom in een werkmap raakt los van het cijfer zodra iemand de tabel sorteert.

Dat laatste punt is het verschil tussen een analyse die de audit haalt en een die dat niet haalt. De praktijkdefinitie van audit-ready die wij het scherpst vinden: "Als we een disclosure hebben, al het bewijs vastgekoppeld aan het datapunt, en de tekst waaruit blijkt waar het vandaan komt, dan hebben we de discussie met de auditor vooraf al gewonnen."

De auditduur volgt uit SKAO's auditdagentabel en hangt af van uw omvang en uw ambitieniveau. Reken in de praktijk op enkele auditdagen per jaar, zonder ruimte om vooraf mee te denken. Wat tijdens die dagen niet meteen vindbaar is, komt terug als bevinding. Meer daarover in wat auditors afkeuren op de CO₂-Prestatieladder.

Wat verandert er aan de waardeketenanalyse in handboek 4.0?

Handboek 4.0 is gepubliceerd op 14 januari 2025 en de waardeketenanalyse is daarin op vier punten anders. SKAO's eigen wijzigingenlijst is hierover duidelijk.

OnderwerpHandboek 3.1Handboek 4.0
NaamKetenanalyseWaardeketenanalyse, "vertaling van value chain analyses uit het GHG Protocol"
Verplicht vanafNiveau 4Trede 2
ReikwijdteAlleen scope 3Scope 1, scope 2, scope 3 en eventueel OBE
Aantal1 of 2, afhankelijk van grootteAfhankelijk van uw activiteitenindeling onder eis 2.A.3-1/3.A.3-1 één of meer
DekkingsregelTop 2 en top 6 uit de rangorde"De belangrijkste activiteiten (dus 50% van de totale scope 1, 2 en 3 uitstoot)"
ActiviteitenindelingPMC-analyse (product-marktcombinaties)"De term 'PMC' is vervangen door 'activiteiten'", plus een impact- en invloedanalyse
Professionele becommentariëringVerplicht via eis 4.A.3"Professionele becommentariëring van waardeketenanalyse is niet langer verplicht"

De dekkingsregel is de grootste inhoudelijke verandering. SKAO schrijft het volledig zo op: "De waardeketenanalyses moeten betrekking hebben op de belangrijkste activiteiten (dus 50% van de totale scope 1, 2 en 3 uitstoot). Dit kan afhankelijk van de indeling bij 2.A.3-1/3.A.3-1 één of meer ketenanalyses betekenen (dus niet meer 1 of 2 zoals bij handboek 3.1)."

Let op de voorwaarde in het midden van die zin. Het aantal analyses volgt uit uw activiteitenindeling onder eis 2.A.3-1 of 3.A.3-1. De teleenheid verschuift daarmee van het aantal analyses naar het aandeel van uw uitstoot dat de analyses samen dekken. Voor een organisatie met één dominante keten kan dat één analyse zijn. Voor een groep met veel uiteenlopende activiteiten kunnen dat er meer zijn.

Daar komt OBE bij, de overige beïnvloedbare emissies: uitstoot buiten uw scopes waar u wel invloed op hebt, zoals bouwen met hergebruikt materiaal of energie delen met een buurbedrijf. SKAO vraagt op trede 2 om een kwalitatieve OBE-analyse. Op trede 3 moeten organisaties "met cijfers (kwantitatief dus) aantonen hoe ze binnen hun organisatie, keten en eventueel daarbuiten (OBE's) CO2-reductie gaan realiseren richting 2050".

De gecombineerde beweging is dus: minder losse analyses, meer dekking, en een verplichte koppeling aan uw activiteitenindeling. Is uw activiteitenindeling rommelig, dan wordt dat in 4.0 direct zichtbaar in uw waardeketenanalyse. Voor groepen met tientallen bedrijfseenheden over meerdere juridische entiteiten begint dat probleem bij de organisatorische grens en niet bij de keten. Dat behandelen we apart in organisatorische grenzen bij meerdere entiteiten.

Wanneer u precies moet overstappen, en wat u uit uw bestaande 3.1-documenten kunt hergebruiken vóór de deadline van 14 januari 2027, staat in van 3.1 naar 4.0: wat u kunt hergebruiken.

Wat zijn de meest gemaakte fouten in een ketenanalyse?

Uit de eisen, de gidsen en wat in de praktijk telkens terugkeert:

De rangorde ontbreekt of is niet reproduceerbaar. De analyse is er, maar de onderbouwing waarom juist deze keten is gekozen niet. Dat raakt 4.A.1 rechtstreeks.

De verkeerde bronnen gekozen. Twee analyses uit de top 2, of twee uit de staart. De regel is één uit de top 2 en één andere uit de top 6.

Doelen zonder basisjaar of zonder termijn. 4.B.1 vraagt letterlijk om absolute getallen of percentages ten opzichte van een referentiejaar en binnen een vastgelegd tijdvak.

Eén gemiddelde over alle activiteiten. Wie één gemiddeld kental publiceert, overschat de emissie-intensiteit van zijn schoonste activiteiten. Dat is commercieel schadelijk, want klanten vragen uw cijfer op om het in hun eigen scope 3 te zetten.

Granulariteit die per jaar verspringt. Verzamel op het fijnste niveau dat haalbaar is. Terugrekenen naar een fijner niveau dan waarop u verzameld hebt, kan achteraf niet meer, en dan verliest u de vergelijkbaarheid tussen jaren.

Brondata die alleen in één werkmap bestaat. Historische ketendata leeft bij veel organisaties in één enorme werkmap met tientallen tabbladen, jaren diep. Dat werkt tot het moment dat een auditor vraagt waar een specifiek cijfer vandaan komt.

Een uitgebreidere behandeling van bevindingen en afkeuringen staat in wat auditors afkeuren op de CO₂-Prestatieladder. Wat de extra auditdagen en adviesuren van trede 2 en trede 3 kosten, staat in wat kost de CO₂-Prestatieladder in 2026.

Hoe Palau hiermee omgaat

Eis 5.A.3 vraagt letterlijk om emissiegegevens van directe ketenpartners. Daarvoor heeft Palau een contributor portal: externe leveranciers en onderaannemers vullen brongegevens in via hun eigen toegang, zonder licentie en zonder rondgemailde spreadsheets. Wat zij aanleveren komt binnen in Reef, de dataverzameling, en het bewijsstuk blijft in Vault aan het datapunt gekoppeld inclusief de vindplaats. Dat is dezelfde structuur die uw waardeketenanalyse en uw CSRD-rapportage delen, wat we uitwerken in CO₂-Prestatieladder en CSRD: één dataset, twee rapportages.

Wilt u zien hoe dat werkt op uw eigen keten? Vraag een pilot aan.

Bronnen